"Vader en tante Marie hadden nooit contact. Nooit. Tot het oorlog werd. Wij waren vanuit Bergen naar Heiloo geëvacueerd. Toen had je natuurlijk al die mensen die uit Amsterdam voedsel kwamen halen bij de boerderijen. En dan kwamen ze ook bij de Beeken. Toen kwam er een brief van tante Marie: Jacob, zo heette mijn vader, als je honger hebt kom je maar. Nou, Jacob had honger. Dus hij ging op de fiets hiervandaan met houten banden, anti-plof-banden, naar de Beemster. En dan kwam hij thuis met melk, en karnemelk, en tarwemeel, en olie, hadden ze geperst. En die melk was zo vet, mijn moeder zette het te romen in een grote platte schaal en dan kwam daar zo'n dikke laag op. Nou, en daar maakte je dan weer boter van."
Kiek:
"Midden in de nacht was oom Jaap, op een gammele fiets, van Bergen naar de Beemster gereden, naar de boerderij. Het was oorlog. Alles was donker, maar hij wist de geheime weggetjes, hij hoorde tenslotte bij de familie. Dus hij was stiekem in het huis, opa en oma Beek sliepen nog.
Ze hadden van die hoge stoelen in de woonkamer en daar was oom Jaap even gaan zitten. Toen opa beneden kwam zag hij iets, iets van een hoofd. En opa, die had, voor het geval dat er een boef kwam, een tafelpoot.
Dus opa Beek die neemt die tafelpoot, en hij slaat zo op die kop! En toen was het oom Jaap. Hij heeft er niks aan over gehouden gelukkig. Maar wel zo’n hele rooie streep!"
‘U mag kiezen mevrouw, wordt het 8 of 9 april?’ De jonge zuster keek tevreden in de wieg. Achter haar was een zwarte hemel zichtbaar, het lichtte in de verte. De hoge ramen trilden. ‘Ik wil de wieg niet bij dat raam hebben,’ zei de moeder beslist, ‘dadelijk breekt het glas.’ Ze lag plat onder de dekens, negen dagen strikte bedrust. De zuster keek bedenkelijk maar maakte geen aanstalten. ‘Als u de wieg niet verplaatst, dan kom ik eruit!’ Negen dagen later reed het koetsje van Jan Beek de lange rechte weg door de Beemster. Hij vervoerde zijn dochter en nieuwe kleindochter. Aan het einde lag de boerderij tegen de ringvaart aan. Als de moffen deze dijk maar met rust zouden laten. Al sinds november was de noodtoestand van kracht en werd het oude stoomgemaal gestookt met de bomen langs de polderwegen. Vier bomen per uur. De adem van het paard wolkte in de lucht. In het koetsje was het koud, ze trok de dikke wollen deken nog wat steviger om haar benen. Ze keek naar de slapende baby op haar schoot. Het was geen tijd om kinderen te krijgen. Maar tijdens de zomer van ’44 had niemand kunnen vermoeden dat de oorlog nog een hele winter zou duren. Langs de kant van de weg liepen uitgemergelde stedelingen op hongertocht. Ze drukte het bundeltje nog steviger tegen zich aan.